Nederlandse Vereniging voor Thuisonderwijs

Donaustraat 158, 8226 LC Lelystad

telefoon 0320-258461

internet: www.thuisonderwijs.nl, e-mail: nvvto-commpolitiek@yahoogroups.com

postgiro 6113905

 

 

 

Thuisonderwijs: erkenning en toezicht

Een reactie op de notitie “Thuisonderwijs in Nederland” van Maria van der Hoeven, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.


 

 

Inhoud

1     Samenvatting. 1

2     Inleiding. 2

3     Wat is thuisonderwijs?. 3

4     Vrijheid van onderwijs. 3

5     Wetenschappelijke inzichten. 4

6     Geen toegangsdrempel meer 5

7     Zedelijkheidsonderzoek. 7

8     Bekwaamheidsonderzoek. 7

9     Aspecten van overheidstoezicht 8

9.1      Overtuigingen van ouders. 8

9.2      Heersende overtuigingen binnen de overheid. 9

9.3      De diversiteit van thuisonderwijs. 10

9.4      Zou streng toezicht effectief zijn?. 11

9.5      Plicht & toezicht op thuisonderwijs bestaan al! 11

9.6      Toezicht: waarom en hoe?. 13

9.7      Rijksbekostiging van thuisonderwijs. 14

9.8      De privacy van kinderen en gezinnen. 15

9.9      Schoolgang biedt geen garanties. 16

9.10        Identificatie van de behoefte aan toezicht 16

10       Conclusies. 18

 

1         Samenvatting

Deze verhandeling bespreekt de notitie “Thuisonderwijs in Nederland”, door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen bij de Tweede Kamer ingediend op 5 juni 2003, en voorziet deze van commentaar.

 

De Minister stelt hierin voor richtingbezwaarde ouders, wier kinderen vrijgesteld zijn van de plicht tot schoolinschrijving en –bezoek, een plicht tot onderwijs op te leggen en toezicht op dit onderwijs in te stellen. Volgens de NVvTO ziet de Minister, in haar overigens te waarderen focus op onderwijs aan alle kinderen, hierbij verscheidene aspecten van thuisonderwijs over het hoofd, zowel juridische als wetenschappelijke. Voorts valt achter haar stellingname een morele overtuiging te vermoeden die strijdt met die van ouders die voor thuisonderwijs opteren. Ouderlijke overtuigingen wegen echter zwaarder.

 

Gezien de uitstekend gebleken effectiviteit van thuisonderwijs in het buitenland - ongeacht ouderlijke opleiding en inkomen - en gezien de invloed van dit gegeven op de lezing van verscheidene mensenrechtenverdragen, concludeert de NVvTO tot legalisatie van thuisonderwijs als vrije keuzemogelijkheid voor alle ouders van leerplichtige kinderen, tot het schrappen van het drempelcriterium ‘overwegende richtingbedenkingen’ en bijkomende regels in de Leerplichtwet 1969, en stelt de vereniging een reeks overwegingen en voorwaarden aan het eventueel in te stellen toezicht.

 

De NVvTO beveelt aan de toezichthouder in thuisonderwijs slechts te laten handelen na een redelijk vermoeden van een onregelmatigheid.

 

De in deze verhandeling aangehaalde wetten en verdragen zijn:

-        Artikelen 5 (aanhef en sub b), 6 en 8 Leerplichtwet 1969,

-        Artikelen 5, 6, 8, 9 en P1-2 EVRM,

-        Artikelen 18 IVBPR,

-        Artikelen 9 en 29 IVRK.

 

De in dit stuk bereikte conclusies staan kort achter elkaar opgesomd in paragraaf 10.

 

Deze verhandeling geeft de standpunten weer van de Nederlandse Vereniging voor Thuisonderwijs, afgekort NVvTO. De adresgegevens van de vereniging zijn te vinden in de kop van dit document. De opsteller van deze verhandeling, Drs. Peter J. van Zuidam, is voor vragen of toelichtingen bereikbaar via op 0320-257778, bij geen gehoor 06-50570999, of per email: nvvto-commpolitiek@yahoogroups.com.

2         Inleiding

Op 5 juni 2003 stuurde Maria van der Hoeven, minister van OC&W, verder aangeduid als de Minister, een notitie[I] over thuisonderwijs naar de Tweede Kamer waarin zij voorstelde om aan ouders die zich beroepen op overwegende richtingbedenkingen en daardoor hun kinderen niet naar school sturen een onderwijsplicht op te leggen en toezicht op hun onderwijs in te stellen. Die ouders beroepen zich op artikel 5, aanhef en sub b van de Leerplichtwet 1969. Dit artikel stelt, voor zover toepasselijk:

De in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen (de ouders of verzorgers) zijn vrijgesteld van de verplichting om te zorgen dat een jongere als leerling van een school (…) is ingeschreven, zolang (…) zij tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning (…) gelegen scholen  (…) waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden, overwegende bedenkingen hebben.

 

De Minister kiest er blijkens de notitie voor om ondanks deze maatregelen de mogelijkheid voor thuisonderwijs beperkt te houden tot de categorie ouders met richtingbedenkingen, van wie de kinderen niet recentelijk aan een school stonden ingeschreven, zij schreef dan ook: “Het is dus geenszins mijn bedoeling de rechten van ouders op het bieden van thuisonderwijs te vergroten.”

 

De Nederlandse Vereniging voor Thuisonderwijs, verder te noemen NVvTO, waardeert en deelt de bezorgdheid van de Minister over onderwijs aan alle kinderen in Nederland, maar in die bezorgdheid ziet zij wel verscheidene aspecten van thuisonderwijs over het hoofd, zowel juridische als wetenschappelijke.

 

Uit de notitie van de Minister is ons geen als zodanig herkenbaar inzicht in thuisonderwijs gebleken, net zomin als uit de handhaving van de leerplichtwetgeving sinds 1969. Deels is dit te verklaren, omdat thuisonderwijs na 1900 weinig in Nederland voorkwam. Deze verhandeling heeft ten doel de in deze notitie opnieuw geconstateerde kennislacune over thuisonderwijs in de Nederlandse politiek op te vullen, daarom is zij vrij breed opgezet.

3         Wat is thuisonderwijs?

De term thuisonderwijs betekent dat kinderen niet dagelijks het huis verlaten om naar school te gaan maar leren onder begeleiding van hun ouder(s) of degenen die als zodanig optreden. Dat leren vindt natuurlijk niet alleen maar thuis plaats, maar overal waar nuttige dan wel interessante kennis en vaardigheden op te doen zijn.

 

Civieljuridisch valt thuisonderwijs te karakteriseren als het verschijnsel dat diegenen, die zich al met de opvoeding van een kind bezig houden, óók het onderwijs voor hun verantwoording nemen. Onderwijs en opvoeding worden dus (grotendeels) gegeven door dezelfde personen. Dat onderwijs kan in specifieke kennisgebieden van derden komen, maar dat gebeurt niet structureel, zoals bij schoolgang. Thuisonderwijzende ouders delegeren de verantwoordelijkheid voor het onderwijs aan hun kinderen niet. Correspondentiecursussen zitten qua verantwoordelijkheid tussen thuisonderwijs en schoolgang in.

 

Het gebeurt vaak, dat thuisonderwijsgezinnen steungroepen met elkaar vormen. Dan komen kinderen uit meerdere gezinnen bij elkaar, bijvoorbeeld om met elkaar te spelen, of om één ouder of een derde met een bijzondere expertise gelegenheid te geven die met de kinderen te delen. Hierbij vindt echter geen overdracht van onderwijsverantwoordelijkheid plaats zoals bij een school, hoogstens deling ervan. Meestal komen ouders van jongere kinderen naar zulke bijeenkomsten mee. Soms is er sprake van echte leercentra, in gebieden waar voldoende thuis onderwezen kinderen wonen om die levensvatbaar te maken. Een voorbeeld hiervan is The Otherwise Club[II] in Noordwest-Londen.

 

De gebruikte leerbronnen zijn heel divers en hangen mede af van de persoonlijke overtuigingen van de ouders en voorkeuren van de kinderen. Men denke aan boeken, (correspondentie)cursussen, TV, video’s en computersoftware. Vooral bibliotheken, mediatheken, musea en instellingen voor hands-on leren hebben dankbare klanten aan thuisonderwijzers, ook organiseren ouders dergelijke mogelijkheden zelf.

 

Een andere belangrijk leerproces is kennisname van de ervaring van mensen uit de sociale omgeving, door middel van conversatie.

 

De beoefening van thuisonderwijs groeit wereldwijd sterk. In de Verenigde Staten krijgen momenteel zo’n 1 à 2 miljoen kinderen thuisonderwijs (2% van de schoolgaande bevolking), in Groot-Brittannië rond de 100.000 (1%). In beide landen leren nu meer kinderen van hun ouders dan in particuliere (= niet-gesubsidieerde) scholen.

4         Vrijheid van onderwijs

Ons vertrekpunt bij de beoordeling van de notitie van de hand van de Minister van OC&W is de Grondwet en wel in het bijzonder artikel 23 lid 2 daarvan. Dit artikel luidt:

 

Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid en, voor wat bij de wet aangewezen vormen van onderwijs betreft, het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven, een en ander bij de wet te regelen.

 

Alle beperkingen van de hier geschreven recht op vrijheid van onderwijs hebben als doel de bevordering van de kwaliteit ervan en de veiligheid van de leerlingen. Een toegangscriterium voor thuisonderwijs op zoiets als een richtingbezwaar wordt door de Grondwet simpelweg niet toegestaan; dit criterium is in 1968 aan de Leerplichtwet toegevoegd vanuit de mening van de kamermeerderheid, dat thuisonderwijs "elitair" was en een bedreiging vormde voor de sociale ontwikkeling van kinderen, en dat het daarom niet als volwaardig onderwijs gezien kon worden. Voor de goede orde: deze visie ontstond voor zover aan de vereniging bekend zonder enige feitelijke onderbouwing.

 

Leerplichtvrijstelling op grond van richtingbezwaren mocht sindsdien dan ook maar mondjesmaat worden getolereerd, en dit werd ingegeven door de in de memorie van antwoord bij de Leerplichtwet 1969 opgenomen leesinstructie, dat een kind dat niet naar school ging in het geheel niet van onderwijs voorzien zou worden. Thuisonderwijs werd niet als onderwijs erkend, en juist deze aanname maakte het toegangscriterium van richtingbezwaren voor thuisonderwijs voor de Grondwet aanvaardbaar.

5         Wetenschappelijke inzichten

De pessimistische opvattingen van de wetgever over thuisonderwijs anno 1969 zijn echter, als ze al ooit op waarheid berustten, onderhand door het wetenschappelijke onderzoek van de laatste jaren weerlegd. Voor de beantwoording van de vraag, in hoeverre ouders tot thuisonderwijs in staat mogen worden geacht, zijn de beschikbare wetenschappelijke onderzoeksresultaten tussen 1980 en 1999 in ogenschouw genomen. Senior onderwijsonderzoeker Dr. H. Blok, verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, heeft hiertoe een literatuuronderzoek[III] gedaan, en hij concludeert op grond daarvan, dat de goede effectiviteit van thuisonderwijs boven redelijke twijfel verheven is, zowel in cognitief als in sociaal-emotioneel opzicht. Zijn conclusies over cognitieve ontwikkeling zijn gebaseerd op acht en die van de sociaal-emotionele ontwikkeling op twintig los van elkaar staande, in peer-reviewed tijdschriften gepubliceerde onderzoeksverslagen, afkomstig uit Noord-Amerika, waar zeker één miljoen kinderen thuis onderwezen worden. In al deze onderzoeken werden de bevindingen vergeleken met die van schoolgaande kinderen. Bij geen enkel onderzoek kwam een voor thuisonderwijs negatief resultaat aan het licht. Bij elkaar waren ruim 46.000 thuis onderwezen kinderen in deze onderzoeken betrokken. Het gedeelte dat onder de jaarnorm scoorde lag in het meest grootschalige onderzoek van de serie voor schoolbegrippen uitzonderlijk laag, rond de 5%.

 

Uit het literatuuronderzoek van Blok bleek, dat niveaus van ouderlijk inkomen en opleiding weinig uitmaakten in de leerresultaten, minder dan bij schoolkinderen. Een eventueel door een ouder behaalde lesbevoegdheid maakte zelfs geen significant verschil in de score. De twee grootste cognitieve en zeven sociaal-emotionele onderzoeken lieten een dusdanige voorsprong zien van thuis onderwezen kinderen, dat die in een marge voorziet om bij extrapolatie van de Noordamerikaanse naar de Nederlandse onderwijssituatie over de verschillen in taal, onderwijsmethodieken en omgangscultuur heen te kunnen stappen. De gemiddelde voorsprong bleek groter naarmate de kinderen langer thuisonderwijs hadden genoten, die liep op tot vier leerjaren.

 

Bloks verslag staat niet op zichzelf. In de V.S., waar de meeste onderzoeken waar Blok uit rapporteerde verricht zijn, bestaat nu een brede consensus over de waarde van thuisonderwijs. Thuis onderwezen jongeren worden door vrijwel alle Amerikaanse universiteiten als student geaccepteerd (met en zonder high school diploma) en zij vallen daar op door hun studiemotivatie, zelfstandigheid en exploratiedrang[IV]. De Senaat en het Congres namen in 1999[V] respectievelijk 2000[VI] resoluties aan waarin thuisonderwijzende ouders en hun kinderen zich aangemoedigd en gefeliciteerd mogen weten. Zij stelden bij die gelegenheden een Week van het Thuisonderwijs in. Beide resoluties werden aangenomen met algemene stemmen en zijn sindsdien nagevolgd door verscheidene Amerikaanse deelstaatparlementen. Het verschil met de wijze, waarop zulke ouders blijkens de notitie van de Minister door de Nederlandse regering nog altijd benaderd worden, mag frappant heten.

 

We weten nu dus, dat thuisonderwijs heel betrouwbaar is, en dat er geen negatieve effecten in de cognitieve of sociale ontwikkeling van te verwachten zijn, eerder positieve. Ook is het niet waar, dat thuisonderwijs alleen voor de rijkeren of de hoger opgeleiden in de samenleving is weggelegd; met een laag inkomen kan men evenzeer thuis onderwijzen, dat is zowel uit onderzoek als binnen de vereniging gebleken. Ook is er geen reden thuisonderwijs te beperken tot het niveau van primair onderwijs, gezien de geconstateerde voorsprong naarmate jongeren langer thuis waren onderwezen.

 

De minister van OC&W wil toezicht opleggen op gezinnen waarin thuisonderwijs wordt beoefend en een plicht tot onderwijsvoorziening opleggen aan richtingbezwaarde ouders. De wetgever mag heel wel besluiten een uitvoeringsplicht en toezicht in te stellen op thuisonderwijs op grond van de Grondwet en relevante mensenrechtenverdragen, maar dat moet dan samengaan met de principiële verwachting dat thuisonderwijs een onderwijsvorm is waarmee men kinderen de ontwikkeling kan geven die hen rechtens toekomt. Het is immers absurd iemand bij wet een plicht op te leggen en tegelijkertijd op voorhand te verwachten dat aan deze plicht niet zal worden voldaan. Er is trouwens een heel goede reden voor een koerswijziging: het voortgeschreden wetenschappelijke inzicht geeft geen voeding meer aan zulk wantrouwen. Thuisonderwijs wordt door instelling van die uitvoeringsplicht hoe dan ook een 'bij de wet aangewezen vorm van onderwijs' in de zin van Artikel 23 (2) Grondwet. Dit geeft een aantal implicaties, die in de volgende paragrafen worden behandeld.

6         Geen toegangsdrempel meer

De eerste implicatie van artikel 23 (2) Grondwet is, dat het toegangscriterium van 'overwegende richtingbedenkingen' dient te verdwijnen, dit is namelijk geen criterium dat te maken heeft met de kwaliteit van het onderwijs of de veiligheid van leerlingen, daarmee is het ontoelaatbaar. Deze beperking ontstond immers in 1969 om zoveel als redelijkerwijs mogelijk het ontbreken aan onderwijs (in de visie van de wetgever) mee te beperken, en nu er niet redelijkerwijs van het ontbreken van onderwijs sprake lijkt, dient deze beperking prompt opgedoekt te worden.

 

Daar komt nog bij, dat er niet te verwachten valt, dat richtingbezwaarde ouders beter thuisonderwijs geven dan ouders die hier om andere redenen aan wensen te beginnen. Deze categorieën ouders zijn in dat opzicht gelijk en dienen dan ook gelijk behandeld te worden, zo zegt artikel 1 Grondwet, dat discriminatie verbiedt op onder meer geloof en levensbeschouwing, en dus ook op het ontbreken daarvan.

 

Naar de mening en in de ervaring van vele leden van de NVvTO is het criterium van 'overwegende richtingbedenkingen' bovendien een onding, dat in de rechtszaal al voor heel wat willekeur heeft gezorgd. Loosjes noemde hier in zijn afstudeerscriptie, handelende over de vrijheid van onderwijs, verscheidene voorbeelden van.[VII] Als er één ding is waar het huidige kabinet mee kan scoren in het streven naar minder regels, dan is dat wel het schrappen van artikelen 5 (b), 6 en 8 van de Leerplichtwet 1969, want dat voorkomt tientallen gezien het belang van kinderen zinloze rechtszaken en onderzoeken door de Raad voor de Kinderbescherming per jaar. Sinds deze wetsartikelen van kracht werden is de opvoedings- en verzorgingsplicht dusdanig uitgebreid dat de lezing van voornoemde artikelen niet meer valt te handhaven; dit wordt uitgelegd in paragraaf 9.5.

 

Een als bijzonder onrechtvaardig ervaren beperking wordt gevormd door artikel 8 (2) Leerplichtwet 1969, dat een ingediende kennisgeving van richtingbedenkingen ongeldig verklaart, als het kind in kwestie in het jaar voorafgaand aan de kennisgeving ingeschreven is geweest aan een school waartegen richtingbedenkingen zijn geuit. Deze bepaling komt neer op een verbod om het onderwijs van de kinderen te herinrichten in overeenstemming met de veranderde religie of levensbeschouwing. Ook als men de uitzonderingsbepalingen van de Leerplichtwet pas ontdekt nadat een kind al is ingeschreven aan een school waar men eigenlijk onvrede mee heeft, vist men achter het net.

 

De artikelen 9 EVRM[VIII] en 18 IVBPR[IX] geven burgers van de verdragsstaten het expliciete recht om van levensovertuiging te veranderen, een nieuwe levensovertuiging aan te nemen en – als dit niet strijdt met andere fundamentele rechten en belangen – hun (gezins)leven in overeenstemming met die verandering in te richten. In de jurisprudentie is artikel 8 (2) Leerplichtwet tot dusverre stelselmatig gerechtvaardigd door te verwijzen naar het fundamentele recht van kinderen op onderwijs, maar die vlieger gaat straks natuurlijk niet meer op, zodra de door de Minister voorgestelde onderwijsplicht en toezicht van kracht worden: thuisonderwijs is dan immers bij wet een plicht geworden om juist aan dit belang van het kind te voldoen! De wetgever wordt dus hoe dan ook gedwongen om artikel 8 (2) Leerplichtwet te schrappen.

 

In plaats van al deze, alleen al vanuit het belang van kinderen volstrekt overbodig te noemen wetgeving dient de Leerplichtwet 1969 voorzien te worden van een vrijstelling van de plicht tot schoolinschrijving vanwege thuisonderwijs. Dit houdt in zekere zin in een terugkeer op dit punt naar de Leerplichtwet 1900, die deze voorziening al bevatte, met toezichtregeling en al. Het gaat dan overigens niet aan om dan te blijven spreken van een vorm van leerplichtvrijstelling (de leerplicht wordt dan immers vervuld bij de ouders), maar van een vrijstelling van schoolplicht, op dit punt van definiëring zijn wij het met de Minister van OC&W eens.

 

Als Nederland de vrije keuze voor thuisonderwijs legaliseert, dan sluit het zich aan bij de overgrote meerderheid van (huidige) EU-lidstaten wier wetten in thuisonderwijs voorzien, alleen Duitsland en Griekenland blijven dan nog over als schoolplichtlanden, niet toevallig allebei landen met perioden van dictatuur in hun geschiedenis. Thuisonderwijs werd in bijvoorbeeld Duitsland geleidelijk verboden in de periode van 1934 tot 1938.

 

Ten overvloede: de strekking van artikel 23 (2) Grondwet valt niet te rijmen met het ‘erkennen’ van thuis- of schoolonderwijs. Vrijheid tot het geven van onderwijs impliceert, dat hiertoe geen ‘erkenning’ nodig is in de zin van toestemming voorafgaand aan of gedurende het onderwijs. De verplichtstelling tot onderwijs en het toezicht daarop in het voorstel van de Minister impliceren op zichzelf reeds ‘erkenning’ van thuisonderwijs als onderzoekbaar fenomeen. Het zou ter vergelijking anders zijn alsof de vrijheid van meningsuiting, ook als zodanig erkend in de Grondwet, ‘erkenning’ van node zou hebben om te voorkomen dat deze in belediging zou ontaarden. Als de minister de toelating van bepaalde soorten onderwijs van haar erkenning af wil laten hangen, zal zij een voorstel tot wijziging van artikel 23 Grondwet in moeten dienen en zal de Staat der Nederlanden het Kinderrechtenverdrag moeten opzeggen, want artikel 29 (2) hiervan garandeert op overeenkomstige wijze de vrijheid om een onderwijsinstelling op te richten zonder afzonderlijke toestemming.

 

Waarom zou de overheid zich überhaupt met iemands motivatie tot thuisonderwijs willen bemoeien, als de betrokkenen daar geen nadeel van ondervinden? De wetgever dient naar onze mening nu te handelen als een goed huisvader en zulke overbodige en intrusieve wetgeving op te heffen.

 

Nog een reden om dit te doen: artikel 9 van het VN-Kinderrechtenverdrag[X] (IVRK) verbiedt scheiding tussen ouders en kinderen tegen de ouderlijke wil, zonder dat die scheiding in het belang van het kind is. Dit artikel beperkt zich niet tot de scheiding voor dag en nacht; ook een schoolplicht valt dus onder de strekking ervan. Nu vast staat, dat thuisonderwijs het belang van kinderen in het algemeen niet schaadt, komt schoolplicht voor ouders, die thuisonderwijs bereid zijn te geven, neer op een schending van dit verdrag.

 

En tenslotte vormt de in artikel 2 Leerplichtwet 1969 gestelde plicht tot schoolinschrijving van en geregeld bezoek door een jongere een vorm van vrijheidsontneming, in principe verboden door artikel 5 (1) EVRM[XI], die echter toegestaan is onder lid 1 sub d van dit artikel - “the detention of a minor by lawful order for the purpose of educational supervision”. Nota bene: education betekent zowel onderwijs als opvoeding.
Het recht op fysieke vrijheid is een zeer groot goed in onze beschaving, en het is om die reden, dat de overige uitzonderingsbepalingen in artikel 5 (1) EVRM slechts praktisch toegepast worden op een fractie van de bevolking. Eigenlijk volstaat alleen een zeer zwaarwegend belang om iemand de vrijheid te ontnemen, een belang dat bovendien niet met een minder rigoureus middel vervuld kan worden.
Voor jongeren aan wie hun ouders om welke reden ook bereid thuisonderwijs te geven is schoolgang onnodig. Voor deze jongeren vormt de plicht vervat in artikel 2 Leerplichtwet 1969 een disproportioneel toegepaste vorm van vrijheidsontneming in al die gevallen waarin de huidige versie van deze wet niet in vrijstelling voorziet.

7         Zedelijkheidsonderzoek

De tweede, hier te behandelen implicatie van artikel 23 (2) Grondwet is onderzoek naar de zedelijkheid van de ouders/verzorgers. Deze valt simpelweg uit te voeren met een bewijs van goed gedrag van dezelfde categorie als benodigd door een leerkracht bij diens sollicitatie aan een school. Dit bewijs hoeft slechts bij aanvang van het thuisonderwijs geleverd te worden, net als door een docent aan het begin van diens aanstelling.

8         Bekwaamheidsonderzoek

De derde implicatie is onderzoek naar de bekwaamheid tot het geven van thuisonderwijs. Op het eerste gezicht lijkt dit een heikel punt, men dient hier dan ook praktisch mee om te gaan om zinloze drempels te vermijden.

 

Wij lezen met een zekere waardering, dat de Minister blijkens deel 3 van haar notitie geen bevoegdheid tot schoolonderwijs van thuisonderwijzende ouders wil gaan eisen. Zij schrijft: “De voorwaarden die aan de kwaliteit van het onderwijs aan vrijgestelde leerlingen worden gesteld kunnen afwijken van de voorwaarden die aan het onderwijs op een bekostigde of niet-bekostigde school worden gesteld. Zo kan bij thuisonderwijs bezwaarlijk van elke ouder een onderwijsbevoegdheid worden verlangd.”

Wij zijn het echter met haar oneens, dat deze concessie een vermindering van de onderwijskwaliteit zou betekenen. De consequente uitkomsten van de onderzoeken naar thuisonderwijs rechtvaardigen namelijk de opvatting, dat alle categorieën ouders, die uit eigen wil en naar eigen geweten aan thuisonderwijs zijn begonnen, in beginsel hiertoe bekwaam moeten worden geacht. Daarmee wordt al aan de eis tot bekwaamheidsonderzoek in artikel 23 (2) Grondwet voldaan, zij het op macroniveau (door onderzoek gedaan naar deze categorie onderwijsgevenden als geheel), in plaats van op microniveau, zoals bij docenten gebeurt door examinering.

 

Het omvangrijkste door Blok beoordeelde effectiviteitonderzoek, dat van Rudner uit 1999[XII], liet zien, dat slechts 5% van de ruim 20.000 geteste kinderen onder de norm scoorde die bij hun leeftijdsklasse paste, volgens Rudner was dit een veel lager percentage dan gebruikelijk in (Amerikaanse) schoolklassen. De gemiddelde thuis onderwezene liet vier van zijn vijf schoolgaande leeftijdgenoten achter zich. De beschikking over een leeftijdstoepasselijke lesbevoegdheid van minstens één ouder in een thuisonderwijsgezin liet bovendien geen hogere testscore zien dan wanneer een dergelijke lesbevoegdheid ontbrak. Kinderen van lager opgeleide en van minder inkomen voorziene ouders bleken vrijwel even goed te scoren als die van meer bevoorrechte ouders, dit in tegenstelling tot de gevonden sterke verschillen bij schoolgaande kinderen. Jongens en meisjes scoorden even hoog, De conclusie mag duidelijk zijn: geen enkele categorie ouders hoeft te worden uitgesloten van thuisonderwijs, behoudens de eigen, persoonlijke wens hiertoe. Deze conclusie wordt nog eens bevestigd door recenter Brits en Noors[XIII] onderzoek.

 

Onderzoek gedaan in Groot-Brittannië door Rothermel[XIV], leverde nog een bijzondere uitkomst op: de grootste leerprogressie werd daarin juist gevonden bij kinderen uit lagere inkomens en van ouders met weinig opleiding, en dat is ongekend bij schoolonderwijs. The Observer publiceerde hier in 2000 een artikel over[XV].

 

Voor de geconstateerde algemene ouderlijke bekwaamheid tot thuisonderwijs zijn drie verklaringen te geven. Ten eerste genieten kinderen in een thuisonderwijsgezin een veel gunstiger getalsmatige begeleidingsverhouding dan schoolkinderen, een bekende succesvoorspellende factor bij onderwijs. Ten tweede vraagt lesgeven aan grote groepen om andere competenties dan lesgeven in zeer kleine groepen. Ten derde kennen ouders hun kinderen al hun hele leven, zij zien hen niet voor het eerst op vierjarige leeftijd een schoollokaal binnenstappen, zoals een leerkracht. De ouderlijke bekwaamheden en inzichten spitsen zich bovendien van nature toe op hun eigen kinderen, ze hebben ook daarom geen vorming nodig die hen bekwaam maakt om bij aanvang vreemde kinderen te begeleiden, zoals dat wel van een schoolleerkracht geëist mag worden. Onder andere deze omstandigheden maken, dat men van thuisonderwijs een bijzondere adaptiviteit mag verwachten.

 

Bij aanvang van de leerplichtige leeftijd zijn ouders bovendien al aardig ingespeeld geraakt in de persoonlijke leerstijl van hun kinderen; zij hebben immers onder ouderlijke begeleiding al leren lopen, praten en wat dies meer zij. Dit bedenkende is het eigenlijk ongeloofwaardig om te veronderstellen, dat een verdergaande cognitieve ontwikkeling in onze moderne informatiemaatschappij niet door de ouders begeleid zou kunnen worden, mits en zolang die daartoe bereid zijn.

9         Aspecten van overheidstoezicht

De vierde en voor veel thuisonderwijzers wereldwijd (door slechte ervaringen) moeilijk te verteren implicatie van artikel 23 (2) Grondwet is de uitoefening van toezicht gedurende het thuisonderwijs door de overheid. Hier dient omstandig naar gekeken te worden. De volgende argumenten komen aan bod, zonder dat we van een uitputtende verhandeling kunnen spreken.

9.1      Overtuigingen van ouders

Om te beginnen spelen bij toezichtuitoefening verscheidene, niet op een rigide wijze met elkaar te combineren belangen mee, namelijk enerzijds het recht van kinderen op bij hun aard, ontwikkelingsstadium en persoonlijke behoeften passende leerbegeleiding, en anderzijds het recht van ouders om zich ervan te verzekeren, dat hun kinderen worden opgevoed en onderwezen in overeenstemming met hun pedagogische (art. 14 (3) Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie), filosofische (voornoemd artikel en artikel P1-2 EVRM[XVI]), morele (artikel 18 (4) IVBPR) en religieuze overtuigingen (alle voornoemde artikelen).In de ondertekening van deze verdragen heeft de Nederlandse overheid zijn macht beperkt, niet alleen met betrekking tot regulering van de inhoud en aanpak van het onderwijs in kwestie, maar ook met betrekking tot de aanpak van het door haar uit te oefenen toezicht.

 

Toezicht mag niet op een zodanig rigide wijze ingesteld of uitgevoerd worden, dat ouders in bovenstaande rechten gedwarsboomd worden, zolang er nog een aanpak mogelijk is die dat nadeel voor de ouders niet heeft en toch een redelijke bevestiging kan geven, dat het recht van het kind op passende leerbegeleiding wordt gerealiseerd.

 

Een voorbeeld hiervan is snel te geven. Verplichte afname van een op scholen gebruikelijke kennistoets en afhankelijk stellen van de continuering van thuisonderwijs van de hoogte van het toetsresultaat (een gangbare praktijk in enkele deelstaten van de V.S.) brengt de Nederlandse overheid al snel in aanvaring met de filosofische en morele overtuigingen van sommige ouders, die zich krachtens voornoemde verdragen niet hoeven te conformeren met de behaviouristische of cognitivistische vooronderstellingen die ten grondslag liggen aan zo’n leertoets. Zo’n rigide maatregel is ook niet nodig: een redelijk denkende toezichtfunctionaris kan zich bijvoorbeeld evenzeer overtuigen van de leerprogressie van een kind aan de hand van de verklaring van een informant, die dat kind zekere dingen heeft zien verrichten die op een verworven vaardigheid wijzen, zonder dat voornoemde ouderlijke rechten ingeperkt hoeven te worden.

9.2      Heersende overtuigingen binnen de overheid

De mate en vorm van overheidstoezicht op thuisonderwijs lopen in Nederland, waar onzes inziens na 1917 nooit meer wetgeving is opgesteld vanuit enig inzicht in of waardering van dit fenomeen, gevaar te worden bepaald door de heersende overtuigingen in het overheidsapparaat aangaande onderwijs en opvoeding. De negatieve persoonlijke ervaringen van een aantal van onze leden met de manier waarop de Leerplichtwet 1969 op hen is toegepast geven voeding aan onze zorg.

 

Uitgaande van de notitie valt te vermoeden, dat de Minister thuisonderwijs inferieur vindt aan schoolonderwijs, getuige haar voorstel om het drempelcriterium van ‘overwegende richtingbedenkingen’ in stand te laten. De resultaten van empirisch onderzoek naar thuisonderwijs weerleggen een dergelijke overtuiging echter ten volle; de automatische gevolgtrekking hieruit is, dat de overtuiging van de minister essentieel moreel dan wel filosofisch van aard is.

 

Die gevolgtrekking wordt nog versterkt doordat zij schrijft: "Thuisonderwijs is geen recht van ouders".

Waarom zou in een land dat zich vrij noemt ouders onnodig een recht worden geweigerd, vooral wanneer de Grondwet een dergelijk recht omschrijft? Waarom eigenlijk anders dan vanuit een ideologie die geen ruimte schenkt aan andersoortige benaderingen van onderwijs en ontwikkeling?

 

De minister ziet het als haar taak "erop toe te zien dat ook deze kinderen de kansen worden geboden die zij verdienen."  Wij zijn het met de minister volledig eens dat onze kinderen de kans op een optimale ontwikkeling verdienen. Maar meent zij serieus, dat het overheidsapparaat dat zij bestuurt meer liefde en aandacht voor deze kinderen op kan brengen en dus beter in staat is hun belangen te behartigen dan de eigen ouders?

 

Als de Minister aan haar overtuiging vasthoudt, en als de Nederlandse wetgever op grond van louter deze overtuiging de voorgestelde maatregelen van de minister tot wet verheft, dan laat hij de morele en filosofische overtuiging van de minister prevaleren boven die van ouders. Dat zou uitlopen op een schending van artikelen 18 IVBPR, P1-2 EVRM en 14 (3) van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie[XVII], want ouders hebben op basis van die artikelen het recht zich ervan te verzekeren, dat hun kinderen worden opgevoed en onderwezen in overeenstemming met hún morele, filosofische en pedagogische overtuigingen. De beste of zelfs enige zekerstelling van hun rechten kan voor ouders heel wel door thuisonderwijs worden gegeven, één en ander staat natuurlijk ter eigen beoordeling. De overtuiging van een minister en zelfs van de eventuele meerderheid van parlement en volk dienen hier op de tweede plaats te komen, dat is nu eenmaal de consequentie van de ondertekening van een mensenrechtenverdrag door een rechtsstaat.

 

Let wel: morele, filosofische en pedagogische ouderlijke overtuigingen worden door het huidige Nederlands recht niet erkend als grond voor schoolplichtvrijstelling, slechts levensbeschouwelijke bezwaren komen hiervoor in aanmerking. Onterecht uitgesloten zijn dus bezwaren tegen de omstandigheden in scholen zoals pesten, leerdwang, conflicten met leerkrachten, een leerstijl van een kind die niet aansluit bij het hem aangeboden onderwijs, enzovoorts, hoewel deze toch alle moreel, filosofisch of pedagogisch van aard zijn. Artikelen 18 (4) IVBPR en P1-2 EVRM laten eigenlijk geen beperking van dit ouderlijke recht toe, behoudens het recht op onderwijs van kinderen, en het moge nu duidelijk zijn, dat dit belang niet bedreigd wordt door thuisonderwijs.

 

Hoe zal een beroep van een Nederlandse thuisonderwijzende ouder bij het Europese Hof te Straatsburg of de VN-Mensenrechtencommissie te Genève op voornoemde verdragsbepalingen aflopen? We zijn daar binnen afzienbare tijd achter, want twee NVvTO-leden hebben al beroepen in cassatie lopen bij de Hoge Raad. Een rapport van de VN uit 1999 dat onder andere handelt over de onderwijsplicht in de ontwikkelde landen[XVIII] mag hierbij als hint gelden. Dit rapport oefent in de vijfde en zevende alinea namelijk kritiek uit op de leerplicht-is-schoolplicht-benadering zoals vormgegeven  in de Leerplichtwet 1969:

“The objective of getting all school-aged children to school and keeping them there till they attain the minimum defined in compulsory education is routinely used in the sector of education, but this objective does not necessarily conform to human rights requirements. In a country where all school-aged children are in school, free of charge, for the full duration of compulsory education, the right to education may be denied or violated. The core human rights standards for education include respect of freedom. The respect of parents' freedom to educate their children according to their vision of what education should be has been part of international human rights standards since their very emergence. (…)
The heritage of compulsory education provides evidence of the States' commitment to education predating the right to education by at least one century. The existence of compulsory education is, however, indicative of the realization of only one component of the right to education because the parental freedom of choice might not be recognized, schooling might equal brainwashing rather than educating.(…)”

 

Nota bene: in de ogen van de VN-rapporteur gaat vrijheid van onderwijs verder dan de vrijheid van schoolkeuze vanuit de eigen religie of levensbeschouwing, de heersende interpretatie in Nederland; het draait hier essentieel om de vrijheid van ouders om hun kinderen op te zien groeien in overeenstemming met hun visie van wat onderwijs en opvoeding zouden moeten zijn.

9.3      De diversiteit van thuisonderwijs

De aanpak van thuisonderwijs verschilt per gezin, deze is afhankelijk van de persoonlijkheden en voorkeuren van zowel ouders als hun kinderen. Dit blijkt onder andere uit observaties en interviews verricht door de onderwijsonderzoeker Dr. Alan Thomas bij 100 Britse en Australische thuisonderwijsgezinnen[XIX]. Bij een deel van die gezinnen heeft Thomas ook een tijd lang de dagelijkse gang van zaken kunnen observeren. Die bleek per gezin te variëren. Bij sommige gezinnen werd aan gepland lesgeven gedaan, bij andere was er volledig sprake van informeel leren, waarbij de belangstelling van de kinderen centraal stond voor wát er werd geleerd, de meeste gezinnen zaten tussen die twee uitersten in. Dagelijkse conversatie speelde een centrale rol bij de leerontwikkeling. In alle gezinnen was de begeleiding op een onschoolse manier individueel; als kinderen tijdens een les een vraag hadden, werd er volledig op die vraag ingegaan, daarna werd eventueel de geplande stof weer opgepakt. Typisch was ook, dat de kinderen de vragen stelden, niet in de eerste plaats de ouders. De interactie binnen de gezinnen was intensief te noemen.

 

In Thomas’ observaties leverde expliciet lesgeven of planmatigheid niet meer effectiviteit van het thuisonderwijs dan een informele aanpak. Rothermel bevestigde dit nog eens: Despite excelling in the academic assessments, the home-educated children tended not to engage in formal study. There was evidence of these children picking up reading, maths and other skills without systematic instruction.”

 

Er is dus geen reden om bij thuisonderwijs toezicht te houden op planmatigheid en expliciet lesgeven. Een leerplan en een administratie van verrichtingen zijn echter wél als toetscriteria voor alle scholen opgenomen in de Wet op het Onderwijstoezicht, die in september 2002 van kracht is geworden. Deze wet kan dus niet met een pennestreek op thuisonderwijs van toepassing worden verklaard, ook al vanwege strijdigheid met sommige ouderlijke overtuigingen dienaangaande. Ook werkt dat contraproductief, omdat dan de adaptiviteit van de aanpak gevaar loopt.

9.4      Zou streng toezicht effectief zijn?

Het verslag van Rudner geeft hier interessante informatie over. In zijn onderzoekspopulatie van ruim 20.000 jongeren waren alle 50 deelstaten van de V.S. vertegenwoordigd. De toezichtwetgeving in de deelstaten verschilt sterk; allemaal hanteren ze een leerplicht met thuisonderwijs als optie, maar sommige vereisen regelmatige aflegging van standaardtests en/of een inzage in leervorderingen, terwijl sommige andere staten in het geheel geen toezicht ingesteld hebben. Hij vond, dat de testscores van jongeren uit staten met streng toezicht niet significant hoger of lager waren dan die uit andere deelstaten. Streng toezicht drijft thuisonderwijzende ouders en hun kinderen blijkbaar niet tot betere prestaties.

 

Op de vraag of en hoe vaak er door rigide toezicht faalgevallen van thuisonderwijs aan het licht komen kan de ervaring met een restrictieve toezichtwetgeving ook antwoord geven. De wet in de Amerikaanse deelstaat Oregon schreef vanaf 1988 voor, dat alle thuis onderwezen kinderen elk jaar een standaardtest afleggen. In 1999 werd die regel al eens versoepeld tot elke twee à drie jaar. Als een testscore tweemaal achter elkaar in de onderste 15% van de schoolkinderen van die staat valt, wordt verder thuisonderwijs verboden. In 2003 kwam die wetgeving nog eens ter sprake, en bij die gelegenheid wist het departement van onderwijs van Oregon geen enkel geval te noemen van een thuis onderwezen kind dat op last van die wet naar school was gestuurd, zo wist een krantenbericht te melden[XX]. In Oregon, met 6 miljoen inwoners, krijgen nu 15.000 kinderen thuisonderwijs, de gemiddelde thuisleerling laat 80% van de schoolgaande jeugd aldaar achter zich. Een advocaat van een Amerikaanse thuisonderwijsvereniging betoogde, dat slechts 0,09% van de thuisleerlingen van Oregon in de onderste 15% scoorden, gemiddeld 2 per jaar tussen 1988 en 1999. De testkosten bedroegen een kwart miljoen dollar per ontdekt probleemgeval.

 

Botte, niet met overtuigingen van ouders rekening houdende toezichtwetgeving zoals die van Oregon wijzen wij volstrekt af. Nog los van het gegeven, dat dergelijke regels zouden discrimineren – testafname ja of nee is in Nederland krachtens de vrijheid van onderwijs een zaak voor het schoolbestuur – kan de Nederlandse wetgever leren van de ervaring van staten die ons land in de legalisatie van thuisonderwijs zijn voorgegaan, en de ervaring in Oregon maakt in elk geval duidelijk, dat de faalkans van thuisonderwijs zo laag is, dat routinematig toezicht eigenlijk neerkomt op verspilling van geld en moeite.

9.5      Plicht & toezicht op thuisonderwijs bestaan al!

De minister van OC&W schrijft als volgt over haar motief om toezicht in te willen stellen: “Doorgaans ontvangen deze kinderen thuisonderwijs. Hiervoor bestaan momenteel echter geen wettelijke regels. Strikt juridisch bezien is het dus ook mogelijk dat deze leerlingen in het geheel geen onderwijs ontvangen. Ook is er geen wettelijke basis voor toezicht op vormen van onderwijs die deze kinderen eventueel aangeboden krijgen. Het is dus niet inzichtelijk of deze kinderen op een deugdelijke manier worden voorbereid op het zelfstandig functioneren in de maatschappij. Dit is een onwenselijke situatie.”

 

Met de opvatting van de minister, dat het strikt juridisch bezien mogelijk zou zijn dat kinderen van richtingbezwaarde ouders in het geheel geen onderwijs ontvangen, zijn wij het oneens. Het tweede lid van artikel 247 van het Burgerlijk Wetboek 1 (BW1) beschrijft de uit het ouderlijke gezag voortvloeiende plichten, en die plichten zijn in deze discussie zeer relevant. Dit artikel luidt:

 

1)      Het ouderlijk gezag omvat de plicht en het recht van de ouder zijn minderjarig kind te verzorgen en op te voeden.

2)      Onder verzorging en opvoeding worden mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn van het kind en het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid.

 

De menselijke persoonlijkheid staat voor het geheel aan eigenschappen en mogelijkheden waarmee een persoon zich kenbaar maakt; persoonlijkheidsontwikkeling houdt dus mede in vergroting van het interactievermogen met de sociale en fysieke, voor rationele omgang in aanmerking komende omgeving. Deze term is dan ook concreet te herleiden tot vaardigheidsontwikkeling in onder andere cognitieve vakken: taal, lezen, schrijven, rekenen, wiskunde, techniek en natuurwetenschappen, en in sociaal-emotionele gebieden zoals communicatie, cultuur en wereldoriëntatie. De manier, waarop dit alles plaatsvindt, is afhankelijk van de sociale, culturele en levensbeschouwelijke context van de persoon afzonderlijk.

 

Lid 2 van bovenstaand artikel verplicht ouders in feite ervoor te zorgen, dat hun kinderen tot effectieve cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling komen, hetzij door delegering van die zorg (middels schoolgang), hetzij door die zorg zelf ter hand te nemen. Artikel 1:247 BW beschermt in feite realisatie van onderwijsdoelen van primair belang, niet alleen de Leerplichtwet doet dat. Persoonlijkheidontwikkeling is een onderwijsdoelstelling van primair belang, zij maakt onderdeel uit van artikel 29 IVRK.

 

De Minister van OC&W heeft in haar notitie artikel BW 1:247 over het hoofd gezien, en zij was in de afgelopen jaren niet de enige politicus die dat deed. Het tweede lid ervan trad in werking in maart 1995. Ten tijde van de aanvaarding van de Leerplichtwet 1969 bestond de plichtsbeschrijving van het ouderlijke gezag slechts uit het eerste lid van dit artikel. De Memorie van Antwoord bij artikel 5 sub b Leerplichtwet 1969 schrijft voor om in de te maken afweging van een gesteld richtingbezwaar van de verwachting uit te gaan dat een van leerplicht vrijgesteld kind in het geheel geen onderwijs krijgt. Deze door de wetgever voorgeschreven vooraanname brengt de onafhankelijkheid van de rechter in gevaar; het geeft de rechter immers de impliciete opdracht ervan uit te gaan dat de ouder een andere wet overtreedt, namelijk BW 1:247. Daarmee schendt de Leerplichtwet 1969 artikelen 6 (2) EVRM. Dit stelt immers: “Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.”

 

Artikel 6 EVRM schrijft overigens niet voor, dat de presumptie van onschuld alleen beperkt zou moeten blijven tot de schuldvraag in casu, die rond artikel 2 juncto 5 (b) Leerplichtwet 19691969. Het gezonde verstand zegt, dat er van een onderzoekende rechter geen eerlijk oordeel te verwachten valt, als hij op voorhand aanneemt, dat verdachte een andere wet zou overtreden, zeker niet als deze aanname van rechtstreekse invloed is op de schuldvraag. Hiermee is ook artikel 6 (1) EVRM in geding gekomen, het recht op een eerlijk proces. De NVvTO dringt er bij regering en parlement op aan dit probleem spoedig op te lossen.

 

Heden ten dage wordt in voorkomende gevallen (vooral door een melding van absoluut schoolverzuim door een leerplichtambtenaar, nadat ouders richtingbedenkingen hebben geponeerd) toezicht op nakoming van BW 1:247 uitgeoefend door de Raad voor de Kinderbescherming. Als er binnen een gezin niet in redelijke mate in onderwijs in de betekenis van bevordering van de persoonlijkheidsontwikkeling voorzien zou worden door de ouders, dan zou dat tot een maatregel van kinderbescherming leiden.

 

Een recente beschikking[XXI] door de kinderrechter te Zwolle laat zien, dat de kinderrechtspraak zowel preventief als curatief wenst te functioneren in voorkomende gevallen. Voornoemde zaak laat echter ook zien, dat de kinderrechter rekening wenst te houden met de morele en filosofische overtuigingen van ouders, en hun daaruit volgende keuzes bij de inrichting van hun onderwijs. In casu wensten de ouders niet akkoord te gaan met een jaarlijkse toetsafname en beoordeling door een orthopedagoog van hun kinderen, maar raakte de kinderrechter overtuigd van hun aanpak door Bloks onderzoeksverslag en een reeks brieven van informanten die goed inzicht boden in de sociale en cognitieve ontwikkeling van de kinderen. Deze casus zou de Minister van OC&W en de Onderwijsinspectie dan ook tot voorbeeld mogen strekken.

9.6      Toezicht: waarom en hoe?

De wetgever heeft naar onze mening de vraag te beantwoorden, waarom er meer of routinematiger toezicht nodig zou zijn dan er nu bestaat. De klacht van de Minister van OC&W is slechts, dat het voor haar niet inzichtelijk is of thuis onderwezen kinderen op een deugdelijke manier worden voorbereid op het zelfstandig functioneren in de maatschappij; concrete problemen zijn er niet door haar geconstateerd. Wij stellen voor dat ze de resultaten van het empirisch onderzoek naar thuisonderwijs als uitgangspunt neemt voor haar verdere benadering.

 

Is de Onderwijsinspectie, die slechts ervaring heeft opgedaan met toezicht op scholen, wel zo toegerust voor toezicht op thuisonderwijs? Mocht het zover komen, dan moeten de inspecteurs die hierop gezet worden wel eerst bijgeschoold worden in alle aspecten en stromingen van thuisonderwijs. Hen staat trouwens een hele omschakeling te wachten van de beoordeling naar de gang van zaken in onderwijsinstituten – waar een planmatige en voorspelbare werkwijze een inspectie wel zo gemakkelijk maakt – naar de beoordeling van gezinssituaties.

 

Uitoefening van pressie op ouders om ze de onderwijssituatie zo in te laten richten, dat die naar de aan scholen geijkte normen gemakkelijker te inspecteren wordt, zal zeker op verzet stuiten, gezien de rechten die ouders hebben in verband met hun persoonlijke overtuigingen.

 

Op de vraag door de schrijver van deze verhandeling aan Dr. Thomas, wat voor toezichtvorm hij passend vond, antwoordde hij dat het voor de kwaliteit van thuisonderwijs geen nut had, als de toezichthouder meer probeerde na te gaan dan een zekere inspanningsbereidheid bij de ouders. Rothermel drong ook aan op terughoudendheid van toezichthouders: “Children who learn at home appear to develop very different skills from those learning in school. Such children integrate easily into a variety of social settings and are accustomed to taking responsibility within their families and to motivating themselves in their day to day activities. The findings from the psychosocial assessments have implications for how psychologists, welfare officers and social services judge home-educated children, that is, such children need to be viewed within different parameters to those used with schoolchildren; the skills of one are not necessarily beneficial to the other and vice versa.”

Ook moet men een zekere professionaliteitreflex loslaten: de meeste ouders hebben niet voor docent geleerd en hoeven zich allerminst als zodanig op te gaan stellen om succes te hebben als thuisonderwijzers.

 

De wetgever kan ertoe besluiten het toezicht over te hevelen van de Raad voor de Kinderbescherming – in onze ervaring laten hun inzicht en objectiviteit rond thuisonderwijs vaak zeer te wensen over – naar een op het eerste gezicht passender instantie als de Onderwijsinspectie. Wij eisen in elk geval, dat het toezicht plaatsvindt in redelijkheid en billijkheid, met eerbied voor de ouderlijke overtuiging rond opvoeding en onderwijs. Dubbel toezicht wijzen wij af; de Raad voor de Kinderbescherming dient de beoordeling van thuisonderwijs over te laten aan de Onderwijsinspectie. Ook mag dit toezicht niet dusdanige belasting voor de ouders opleveren, dat zij daardoor van hun eigenlijke taken af worden gehouden. Voorts staan wij erop, dat dit toezicht wordt uitgevoerd door mensen die zich specifiek in thuisonderwijs hebben verdiept en die in staat en bereid zijn te anticiperen op de veelvormigheid ervan. Met toezichthouders die slechts ervaring opgedaan hebben met schoolonderwijs en die van daaruit allerlei vooraannames mee hebben gebracht – als zou schoolgang superieur ­zijn – zijn in het buitenland slechte ervaringen opgedaan door thuisonderwijsgezinnen, en de NVvTO is daar dan ook zeer tegen. Het zou absurd zijn als een onderwijsinspecteur minder inzicht en expertise meebracht dan de aan zijn toezicht onderworpenen.

 

Als eerste inleiding voor toezichthouders bevelen wij het boek van Jane Lowe en Alan Thomas aan, getiteld Educating your child at home.[XXII].

 

De wet zal ouders verplichten voor passende leerbegeleiding zorg te dragen. De NVvTO stelt zich op het standpunt dat het toezicht op thuisonderwijs dan ook slechts ten doel mag hebben na te gaan of de ouders op gewetensvolle wijze hun inspanningsplicht tot educatieve begeleiding – in de ruimste zin des woords – nakomen. Goedkeuring door de onderwijsinspectie mag niet slechts afhangen van de kwaliteit van door de kinderen geproduceerd werk, of een door de inspecteur afgenomen toetsing of overhoring. Er zijn immers genoeg gezinnen waarin vanwege de daar heersende persoonlijke overtuiging niet van zulke toetsmiddelen gebruik wordt gemaakt en waarin de kinderen toch succesvol leren.

 

Inzage in de vorderingen van thuisleerlingen mogen slechts dienen om inzicht in de mate van ouderlijke plichtvervulling te verkrijgen; die mag dus niet zonder meer worden geëist. Men kan de ouders immers niet verplichten dat hun kind op een zeker moment iets geleerd zou hebben, dat zou schending van de vrijheid van denken van het kind inhouden. Bovendien staan zulke eisen de adaptieve benadering van kinderen in de weg, en dat is een belangrijk onderdeel van het kwaliteitsstreven van de Onderwijsinspectie naar scholen toe.

9.7      Rijksbekostiging van thuisonderwijs

Artikel 23 Grondwet schrijft nader toezicht op de deugdelijkheid van het onderwijs voor, als dat onderwijs geheel of gedeeltelijk uit de openbare kas wordt gefinancierd. Eén ding moge nu duidelijk zijn: TO kan niet op voorhand van rijksbekostiging gediskwalificeerd worden vanwege de kleinschaligheid ervan, zoals bij kleine scholen wordt gedaan. Dat is immers, zo blijkt nu uit het onderzoek, zeker niet als een gebrek aan deugdelijkheid op te vatten.

 

Een aantal leden van de NVvTO – echter niet allen – maakt nu gebruik van lesmateriaal dat ook in reguliere scholen of door correspondentie-instituten als Wereldschool wordt gebruikt, en vaak tegen hoge kosten. Op dat materiaal wordt al toegezien door de Onderwijsinspectie; zouden aanschaf en lening ervan of afname van een reguliere correspondentiecursus niet voor rijksbekostiging in aanmerking kunnen komen? Uiteraard moeten ouders dan kunnen kiezen óf voor rijksbekostiging – en daarmee voor gebruik van regulier leermateriaal – óf om hier niet voor te opteren, als ze een andere onderwijsfilosofie hanteren dan de degene waarvan het leermateriaal het tot rijksbekostiging heeft gebracht. Ouders hebben tenslotte vanuit overeenkomstige overwegingen ook de keuze voor een rijksbekostigde of een particuliere school.

 

Voor rijksbekostiging van thuisonderwijs per kind valt bedragsmatig uit te gaan van de leeftijdsafhankelijke standaard CFI-sommen, minus de kosten voor salariëring en schoolhuisvesting.

 

Een voorbeeld van een andere, eenduidiger financiële ondersteuning wordt geboden door de wetgeving van Nieuw-Zeeland[XXIII]. Daar hebben alle thuisonderwijzende gezinnen recht op een toevoeging in baar geld (ongeveer € 450 per jaar per kind in de basisschoolleeftijd) ongeacht hun onderwijsfilosofie. Slechts een redelijke inspanning tot thuisonderwijs wordt wettelijk vereist. Ook daar wordt toezicht op thuisonderwijs gehouden door een onderwijsinspectie, maar omdat er, sinds die regeling rond 1989 in werking trad, vrijwel nooit een misstand bij een thuisonderwijsgezin aan het licht kwam, werd dat toezicht allengs heel billijk. In Nieuw-Zeeland wordt thuisonderwijs consequent als deugdelijk beschouwd, óók als het geen gebruik maakt van het in dat land op scholen verplichte nationale curriculum.

 

Het is goed de Nederlandse regering te herinneren aan de verklaring die zij anno 1954 heeft afgegeven bij de ratificatie van het eerste protocol van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM)[XXIV].  Deze verklaring luidde: “In the opinion of the Netherlands Government, the State should not only respect the rights of parents in the matter of education but, if need be, ensure the possibility of exercising those rights by appropriate financial measures.”

9.8      De privacy van kinderen en gezinnen

Elke school in Nederland moet de Onderwijsinspectie binnenlaten, zowel bij routine-inspecties als bij het vermoeden van onregelmatigheden. Bij de Onderwijsinspectie gaan stemmen op om de toegang tot een woonhuis waar thuisonderwijs wordt gegeven ook verplicht te stellen. Hiertegen verzet de NVvTO zich zeer, en wel om de volgende redenen.

 

Artikel 10 Grondwet stelt: ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.

 

Een wet die ouders verplicht een onderwijsinspecteur in hun huis toe te laten zou een zeer disproportionele inbreuk van de persoonlijke levenssfeer betekenen, zeker als het gaat om een routine-inspectie, dus zonder dat er sprake is van een concreet vermoeden van onregelmatigheden. Ter vergelijking: een onderzoeker van de Raad voor de Kinderbescherming mag zich nog niet eens ongewild toegang tot een huis verschaffen, en diens werk is het voornamelijk om op vermoedens van onregelmatigheden af te gaan.

 

Verder kan een onderwijsinspecteur, die reden heeft om niet slechts op door de ouders verstrekte informatie af te gaan, zonder toegang tot het woonhuis en zelfs zonder direct contact met de kinderen op de hoogte stellen van de onderwijsinspanningen van de ouders, bijvoorbeeld door informatie van derden die het gezin kennen. Een raadsonderzoek kan immers ook op zulk een wijze afgewikkeld worden.

 

Verder wijzen wij op Artikel 8 EVRM,  het recht op eerbiediging van privéleven, familie- en gezinsleven. Dit luidt:

1.      Een ieder heeft recht op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

2.      Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

 

Naar de opvatting van de NVvTO geeft artikel 8 EVRM de thuisonderwijzende ouders het recht om te bepalen of een onderwijsinspecteur rechtstreeks contact heeft met hun kinderen, zeker als die nog jong zijn en nog niet geacht kunnen worden zich in een gesprek te verweren. Ook hiervoor geldt, dat zijn inspectie in beginsel routinematig is en daarom nog minder aanspraak kan maken op recht van beperking van artikel 8 EVRM dan een onderzoeker van de Raad voor de Kinderbescherming, die ouders ook al niet kan verplichten om een gesprek met hun kinderen toe te staan.

 

Artikel 8 EVRM heeft in onze ogen een beperkende invloed op het inzien van door de kinderen verricht werk, waaruit een leerprogressie opgemaakt kan worden. Hier dient speciaal op gelet te worden, want bij schoolgaande kinderen is het de leerkracht met wie een onderwijsinspecteur primair contact heeft. De onderwijsinspecteur gaat in de meeste gevallen af op gegevens die door de leerkracht verstrekt zijn, meestal en gros, en soms, steekproefsgewijs, en detail, op afzonderlijke leerlingen. Een onderwijsinspecteur zou zich eveneens primair met thuisonderwijzende ouders moeten onderhouden, zeker op basis van een routinematige inspectie, zonder redelijk vermoeden van een onregelmatigheid. Schoolleerlingen genieten een zekere wettelijke bescherming tegen inzage en verspreiding van hun dossier of hun leervorderingen, en een zelfde bescherming zou thuis onderwezen kinderen ook gegeven moeten worden.

9.9      Schoolgang biedt geen garanties

Het Max Goote-instituut van de Universiteit van Amsterdam heeft in 1996 geconcludeerd, dat ongeveer 10% van de in Nederlandse bevolking en 7% tot 10% van de schoolverlaters alhier functioneel analfabetisch was.[XXV] Daartussen zaten velen die hun leerplicht normaal vervulden. De gevonden groep van functioneel-analfabetische schoolverlaters was voor de helft allochtoon, dus dat leverde ook geen afdoende verklaring op voor het gevonden aantal. Dit maakt één ding in de discussie over thuisonderwijs duidelijk: de sinds 1969 gehandhaafde plicht tot schoolgang heeft geen absolute garantie voor een voldoende onderwijskwalificatie gebracht. Een overheid onder wiens verantwoordelijkheid zoveel onderwijsfalen plaatsvindt, heeft niet het morele recht ouders het geven van thuisonderwijs te verbieden, of om harde eisen te stellen aan hun aanpak of welslagen.

 

Ook het psychisch welbevinden van schoolgaande jongeren in Nederland laat te wensen over. Het Trimbos-instituut heeft in een studie van juni 2003 geconstateerd dat 20% van hen kampt met psychische problemen.[XXVI] Het valt goed voor te stellen, dat veel ouders tot thuisonderwijs over willen gaan om dit soort problemen tegen te gaan dan wel te voorkomen, en er ligt een reeks ervaringen van ouders, die suggereren dat zo’n stap het psychisch welbevinden doet verbeteren. Men denke daarbij aan gevallen van schoolfobie, treiteren, gebrek aan acceptatie binnen klas of school, gevoeligheid voor drukte, een leerstijl waar het lesprogramma niet op aansluit, enzovoorts. De adaptiviteit in scholen is niet altijd wat die zou moeten zijn.

9.10 Identificatie van de behoefte aan toezicht

Het beschikbare wetenschappelijke onderzoek naar thuisonderwijs geeft zo’n consequent beeld van welslagen, dat dat reden vormt om aan te nemen, dat routinematig toezicht per geconstateerd probleemgeval zoveel kost, dat het belang van kinderen per saldo beter met een ander besteding van dat geld gediend zou worden.

 

Er zouden enkele probleemgevallen mee aan het licht kunnen komen, maar daar staat tegenover, dat een inspectieprocedure hoe dan ook zelf een belasting vormt voor een gezin, inclusief de kinderen. Toezicht zal, cynisch gesproken, vooral dienen om de samenleving over thuisonderwijs gerust te stellen, en dan in het bijzonder de politiek en het onderwijsveld. Bij zoiets onbekends als thuisonderwijs – waarin kinderen niet dagelijks onder toezicht verkeren van hen “die ervoor geleerd hebben” – leeft al snel de verwachting, dat zo’n mogelijkheid zonder streng toezicht tot misbruik en verwaarlozing zou leiden.

 

Bij zo’n veronderstelling past enig logisch denken. Ouders zien niet alleen wettelijk, maar ook van nature toe op allerlei aspecten van zorg van hun kinderen, die niet minder belangrijk zijn dan onderwijs, bijvoorbeeld voeding, hygiëne en zonodig medische zorg. Er wordt enkel tegen ouders opgetreden wanneer er meldingen komen van derden dat er mogelijkerwijs iets niet pluis is in een gezin. Wat doet thuisonderwijs eigenlijk buiten dit rijtje vallen, behoudens het zeldzame voorkomen ervan?

 

Kiezen voor thuisonderwijs houdt verder in, dat ouders hun kinderen niet meer dagelijks onder andermans supervisie kunnen brengen. Thuisonderwijs vraagt dan ook een substantiële investering van tijd, aandacht en persoonlijke aanwezigheid. Zolang ouders hun kinderen naar een behoorlijke school kunnen sturen – een blijvende overheidsverantwoordelijkheid in onze ogen –, hoeveel ouders, die zelf niet voldoende aandacht in hun kinderen willen of kunnen steken, zouden dan van de optie van thuisonderwijs gebruikmaken? Het is voor ouders, die dat er niet voor over hebben, toch veel gemakkelijker hun kind naar school te sturen?

 

Een andere reden voor restrictieve wetgeving zou kunnen zijn de vrees voor ouders die hun geloofsovertuigingen op een dermate indringende manier aan hun kinderen over zouden brengen, dat die daardoor elke vruchtbare interactiemogelijkheid met de bredere samenleving zouden verliezen.

 

Ten eerste moet dan opgemerkt worden, dat dit gevaar ook al bestaat bij bijzondere, vanuit een levensbeschouwing gestichte scholen. Introductie van thuisonderwijs doet die mogelijkheid dus niet ontstaan, en de wetgever tolereert die mogelijkheid kennelijk al.

 

Ten tweede wijzen wij op het bestaan van de NVvTO zelf. Wij vormen een vereniging van thuisonderwijzende ouders, en onze levensbeschouwingen zijn zeer divers, net als onze onderwijsaanpak. Niet al onze leden of alle ouders zijn vanuit een zuiver religieuze reden aan thuisonderwijs begonnen, maar wel hebben we met elkaar gemeen, dat we de belangen van onze kinderen goed afwegen. Ook hebben niet al onze leden richtingbedenkingen geponeerd maar zijn aan thuisonderwijs begonnen na een desastreus verlopen schoolcarrière van hun kinderen of na soortgelijke afwegingen van hun welzijn. Onze kinderen treffen elkaar in bijeenkomsten en maken daar automatisch kennis met andere religies en levensbeschouwingen. Zou een vereniging als de onze ontstaan kunnen zijn uit ouders die gekenmerkt worden door niets ontziend sektarisme?

 

Ten derde wijzen wij erop, dat thuisonderwijs geen zaak van eenrichtingsverkeer is, iets waar je bij schoolonderwijs wel eens aan moet denken. Thuisonderwijzende ouders plegen te luisteren naar hun kinderen, ook als ze een zeldzaam voorkomende levensbeschouwing of religie hebben, zo is de ervaring binnen onze, nu al enkele jaren bestaande vereniging. De verhouding tussen kinderen en opvoeders is nu eenmaal stukken gunstiger dan bij schoolonderwijs, wil dat tenminste betaalbaar blijven.

 

Het in artikel 23 (2) opgenomen voorbehoud van overheidstoezicht op onderwijs is met name ingesteld voor schoolonderwijs; (t)huisonderwijs kwam immers nauwelijks voor. Dit schooltoezicht dient ook om de ouders van schoolgaande kinderen het vertrouwen te laten hebben, dat er op het onderwijs aan hun kinderen door twee, van elkaar onafhankelijke partijen wordt gezorgd, te weten de schoolbestuurders met in hun dienst de leerkrachten, en de Onderwijsinspectie.

 

De ouders hebben krachtens artikel 1:247 BW de zorgplicht tot bevordering van de persoonlijkheidsontwikkeling van hun kinderen, en redenerend vanuit die wet mogen ze hun kinderen eigenlijk alleen maar naar een school sturen – met andere woorden die zorg delegeren –, als ze op het onderwijs van die school kunnen vertrouwen. Het toezicht van de Onderwijsinspectie dient om dat vertrouwen te schragen.

 

Een andere reden voor toezicht is, dat er niet geringe hoeveelheden overheidsgeld omgaan in schoolonderwijs, en de overheid moet de besteding van dat geld blijven verantwoorden, want dat geld komt uiteindelijk uit de portemonnee van ons allemaal.

 

Bij thuisonderwijs bestaan die nadere redenen tot toezicht niet; ouders en onderwijsgevenden zijn identiek, delegering van wettelijke verantwoordelijkheden vindt niet plaats en rijksfinanciering vooralsnog evenmin. Het doel van overheidstoezicht beperkt zich eigenlijk tot de opbouw van inzicht in thuisonderwijs, het gaat hier met andere woorden om de vragen waarop de wetenschappelijke onderzoeken waaruit deze verhandeling citeert samen al een eenduidig antwoord hebben gegeven: het succes is hoog, het faalrisico zeer laag.

 

Nu deze vragen zo duidelijk beantwoord zijn, waarom zou de overheid afzonderlijke thuisonderwijsgezinnen willen controleren? De NVvTO wil er gaarne op wijzen, dat de wetgever weliswaar toezichtrecht heeft op alle soorten onderwijs, maar ook het recht heeft om van routinematig toezicht op niet uit de openbare kas gefinancierd thuisonderwijs af te zien, als de zin daarvan kennelijk lijkt te ontbreken.

10   Conclusies en aanbevelingen

1.      De plannen, die Minister Van der Hoeven van OC&W blijkens haar notitie “Thuisonderwijs in Nederland” met thuisonderwijs heeft,  zijn in strijd met artikel 1 en 23 (2) Grondwet en met verscheidene verdragsartikelen die ouders het recht geven zich te verzekeren dat hun kinderen opgroeien in overeenstemming met hun religieuze, filosofische, morele en pedagogische overtuigingen.

2.      Het wetenschappelijke onderzoek wereldwijd heeft laten zien dat thuisonderwijs prima effect heeft op zowel de cognitieve als de sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen, ongeacht het inkomen of opleiding van de ouders. In het bijzonder kinderen uit lagere sociale milieus lieten bij thuisonderwijs een forse relatieve voorsprong zien, vergeleken bij schoolgaande leeftijdgenoten van vergelijkbaar sociaal niveau.

3.      Daarom moeten ouders van de Nederlandse wetgever de volledige mogelijkheid krijgen om naast schoolonderwijs voor thuisonderwijs te kiezen, ongeacht hun beweegredenen. Artikel 5 (b) Leerplichtwet 1969 dient te worden vervangen door inschrijvingsvrijstelling vanwege thuisonderwijs.

4.      Het moet mogelijk worden om van schoolgang naar thuisonderwijs over te stappen, ook gedurende een schooljaar. Artikelen 6 en 8 Leerplichtwet 1969 moeten dienovereenkomstig worden geschrapt.

5.      De wetgever heeft, mits aan bovenstaande punten wordt voldaan, het grondwettelijke recht toezicht in te stellen voor thuisonderwijs.

6.      Dit toezicht mag routinematig ingesteld worden, maar dat lijkt ons niet efficiënt. De kleine faalkans en het groot gebleken welslagen van thuisonderwijs rechtvaardigen de keuze om het toezicht te beperken tot handelen op een redelijk vermoeden van onderwijsverwaarlozing.

7.      Het eventuele toezicht dient redelijk en billijk te zijn en dient te geschieden vanuit respect voor de vorm en aanpak van het thuisonderwijs, voortkomend uit de ouderlijke religieuze, filosofische, morele en pedagogische overtuigingen.

8.      De onderzoeksresultaten rechtvaardigen geen bevoordeling of voorschrijven door de overheid van bepaalde vormen van thuisonderwijs boven andere, bijvoorbeeld op het gebied van al dan niet planmatig lesgeven. Die keuze moet bij de ouders en hun kinderen berusten.

9.      De bewijslast moet, gezien de klein gebleken faalkans, bij de toezichthouder gelegd worden, niet bij de ouders. Gezien de beslissingsvrijheid en het vertrouwen dat ouders in andere levensaspecten van hun kinderen toekomt, hoeven ouders niet te bewijzen dat zij goed thuisonderwijs geven, een aannemelijkmaking hoort in beginsel te voldoen. De toezichthouder mag niet op voorhand aannemen, dat de ouders falen in hun onderwijsinspanning, behoudens een redelijk vermoeden van een binnen zijn beroepsmatige competentie vallende onregelmatigheid.

10.  De middelen en de plaats van toezicht dienen, omwille van dat respect voor voornoemde ouderlijke overtuigingen en omwille van de privacy van hun gezin, in overleg tussen ouders en toezichthouder te worden bepaald.

11.  Een plicht tot toelating van de toezichthouder in een woonhuis is disproportioneel en mag daarom niet worden ingesteld (artikelen 10 Grondwet en 8 EVRM). Ook met minder intrusieve middelen kan een inspecteur zich genoegzaam op de hoogte stellen van de begeleidingsinspanning van de ouders.

12.  Het toezicht dient zich te richten op vervulling van de ouderlijke plicht tot leerbegeleiding. Inzage in de vorderingen van thuisleerlingen dient slechts om inzicht in de mate van plichtvervulling te verkrijgen; deze inzage mag dus niet zonder meer geëist worden. Men kan de ouders immers niet verplichten dat hun kind op een zeker moment iets geleerd zou hebben, dat zou schending van de vrijheid van denken van het kind in kwestie betekenen. Bovendien staat het stellen van zulke eisen een adaptieve benadering van kinderen in de weg.

13.  Het toezicht dient gedaan te worden door inspecteurs die zich behoorlijk in thuisonderwijs hebben verdiept. Mensen die slechts ervaring hebben opgebouwd met schoolinspecties worden door de NVvTO in beginsel niet geschikt geacht.

14.  De toezichthouder dient met de door hem opgedane informatie betreffende thuisonderwezen kinderen niet minder vertrouwelijk om te gaan dan met die van schoolkinderen.

15.  De mate van toezicht op thuisonderwijs kan afhangen van de rijksbekostiging ervan; ouders moeten wel het recht behouden om eventueel van rijksbekostiging af te zien.

16.  Er is minder reden voor toezicht op thuisonderwijs dan op scholen; ouders van schoolgaande kinderen delegeren hun wettelijke zorgplicht aan een school en moeten daarom kunnen vertrouwen op de kwaliteit van het daar geboden onderwijs. Bovendien moet besteding van overheidsgeld verantwoord worden.

 

Wij hopen met deze verhandeling doelmatig bij te dragen aan de vorming van een uitgebalanceerd beleid rond thuisonderwijs in Nederland.

 



[I] De notitie over thuisonderwijs van de Minister van OC&W is te zien op:
http://www.minocw.nl/brief2k/2003/doc/22093a.PDF

 

[II] De website van The Otherwise Club is: http://www.otherwiseclub.org/ .

[III] Dr. H. Blok: De effectiviteit van thuisonderwijs, een overzicht van onderzoeksresultaten. Dit artikel is verschenen in het Nederlands Tijdschrift voor Onderwijsrecht en Onderwijsbeleid, 2002, jaargang 14, nr. 4, p. 151-163.
Het is ook te lezen op http://www.sco-kohnstamminstituut.uva.nl/pdf/effectiviteit.pdf

Een Engelse versie van dit artikel verschijnt in het UNESCO-tijdschrift International Review of Education, Vol. 49, No. 3, juni 2003.
Deze is te zien op: http://www.alternative-learning.org/ale/blok-eng-summary.html .

 

[IV] Een artikel over het aannamebeleid van thuisonderwezen studenten is te lezen op de website van Swarthmore University: Angela Doody, Learning at Home; The number of homeschooled students attending Swarthmore is on the rise.
http://www.swarthmore.edu/bulletin/june03/homeschooling.html

[V] De senaatsresolutie is te lezen op: http://www.thuisonderwijs.net/voorbeeld/ussenateresolution183.pdf

[VI] De congresresolutie is te lezen op:
http://www.thuisonderwijs.net/voorbeeld/ushouse-resolution-578.pdf

[VII] V.P.Loosjes: Vrijheid van onderwijs, een uitgehold grondrecht. Afstudeerscriptie Nederlands recht aan de Open Universiteit 1999.

[VIII] EVRM Artikel 9 - Vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst luidt: 

1.      Een ieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst; dit recht omvat tevens de vrijheid om van godsdienst of overtuiging te veranderen, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar als privé; zijn godsdienst te belijden of overtuiging tot uitdrukking te brengen in erediensten, in onderricht, in praktische toepassing ervan en in het onderhouden van geboden en voorschriften.

2.      De vrijheid zijn godsdienst te belijden of overtuiging tot uiting te brengen kan aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die, die bij de wet zijn voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de openbare veiligheid, voor de bescherming van de openbare orde, gezondheid of goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

 

[IX] Artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR) luidt:

 

1.      Een ieder heeft het recht op vrijheid van denken, geweten en godsdienst. Dit recht omvat mede de vrijheid een zelf gekozen godsdienst of levensovertuiging te hebben of te aanvaarden, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar als in zijn particuliere leven zijn godsdienst of levensovertuiging tot uiting te brengen door de eredienst, het onderhouden van de geboden en voorschriften, door praktische toepassing en het onderwijzen ervan.

2.      Op niemand mag dwang worden uitgeoefend die een belemmering zou betekenen van zijn vrijheid een door hemzelf gekozen godsdienst of levensovertuiging te hebben of te aanvaarden.

3.      De vrijheid van een ieder zijn godsdienst of levensovertuiging tot uiting te brengen kan slechts in die mate worden beperkt als wordt voorgeschreven door de wet en noodzakelijk is ter bescherming van de openbare veiligheid, de orde, de volksgezondheid, de goede zeden of de fundamentele rechten en vrijheden van anderen.

4.      De Staten die partij zijn bij dit Verdrag verbinden zich de vrijheid te eerbiedigen van ouders of wettige voogden, de godsdienstige en morele opvoeding van hun kinderen overeenkomstig hun eigen levensovertuiging te verzekeren.

 

[X] Artikel 9 (1) en (2) IVRK luiden:

 

1.      De Staten die partij zijn, waarborgen dat een kind niet wordt gescheiden van zijn of haar ouders tegen hun wil, tenzij de bevoegde autoriteiten, onder voorbehoud van de mogelijkheid van rechterlijke toetsing, in overeenstemming met het toepasselijke recht en de toepasselijke procedures, beslissen dat deze scheiding noodzakelijk is in het belang van het kind. Een dergelijke beslissing kan noodzakelijk zijn in een bepaald geval, zoals wanneer er sprake is van misbruik of verwaarlozing van het kind door de ouders, of wanneer de ouders gescheiden leven en er een beslissing moet worden genomen ten aanzien van de verblijfplaats van het kind.

2.      In procedures ingevolge het eerste lid van dit artikel dienen alle betrokken partijen de gelegenheid te krijgen aan de procedures deel te nemen en hun standpunten naar voren te brengen.

 

[XI] EVRM artikel 5 lid 1 luidt:

Een ieder heeft recht op vrijheid en veiligheid van zijn persoon. Niemand mag zijn vrijheid worden ontnomen, behalve in de navolgende gevallen en overeenkomstig een wettelijk voorgeschreven procedure:

a)      indien hij op rechtmatige wijze is gedetineerd na veroordeling door een daartoe bevoegde rechter;

b)      indien hij op rechtmatige wijze is gearresteerd of gedetineerd, wegens het niet naleven van een overeenkomstig de wet door een gerecht gegeven bevel of teneinde de nakoming van een door de wet voorgeschreven verplichting te verzekeren;

c)      indien hij op rechtmatige wijze is gearresteerd of gedetineerd teneinde voor de bevoegde rechterlijke instantie te worden geleid, wanneer er een redelijke verdenking bestaat, dat hij een strafbaar feit heeft begaan of indien het redelijkerwijs noodzakelijk is hem te beletten een strafbaar feit te begaan of te ontvluchten nadat hij dit heeft begaan;

d)      in het geval van rechtmatige detentie van een minderjarige met het doel toe te zien op zijn opvoeding of in het geval van zijn rechtmatige detentie, teneinde hem voor de bevoegde instantie te geleiden;

e)      in het geval van rechtmatige detentie van personen ter voorkoming van de verspreiding van besmettelijke ziekten, van geesteszieken, van verslaafden aan alcohol of verdovende middelen of van landlopers;

f)        in het geval van rechtmatige arrestatie of detentie van een persoon teneinde hem te beletten op onrechtmatige wijze het land binnen te komen, of van een persoon waartegen een uitwijzings- of uitleveringsprocedure hangende is.

[XII] Lawrence M. Rudner: Scholastic Achievement and Demographic Characteristics

of Home School Students in 1998. Education Policy Analysis Archives, Volume 7, Number 8.
http://epaa.asu.edu/epaa/v7n8/

[XIII] Christian W. Beck: Hjemmeundervisenerne i Norge – en spørreskjemaundersøkelse. 2003, SVS Underviseningspublikasjoner, Postboks 351, N-2001 Lillestrøm. ISBN: 82-90810-87-3.

[XIV] Paula Rothermel: Home-Education: Rationales, Practices and Outcomes. 2002, University of Durham.
http://www.jspr.btinternet.co.uk/Research/Researchpaper/BERAworkingpaper.htm

[XV] Amelia Hill: Children taught at home learn more; youngsters of all social classes do better if they avoid school, study discovers. The Observer, August 13, 2000.
http://observer.guardian.co.uk/Print/0,3858,4051092,00.html

[XVI] EVRM Protocol 1 Artikel 2 luidt:

1.      Niemand mag het recht op onderwijs worden ontzegd.

2.      Bij de uitoefening van alle functies die de Staat in verband met de opvoeding en het onderwijs op zich neemt, eerbiedigt de Staat het recht van ouders om zich van die opvoeding en van dat onderwijs te verzekeren, die overeenstemmen met hun eigen godsdienstige en filosofische overtuigingen.

 

[XVII]Het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, artikel 14, lid 3 luidt:

De vrijheid om instellingen voor onderwijs op te richten met inachtneming van de democratische beginselen en het recht van de ouders om zich voor hun kinderen te verzekeren van het onderwijs en de opvoeding die overeenstemmen met hun godsdienstige, levensbeschouwelijke en opvoedkundige overtuigingen, worden geëerbiedigd volgens de nationale wetten die de uitoefening ervan beheersen.

[XVIII] Statement by Special Rapporteur on the right to education. Commission on Human Rights, Geneva, 22 March - 30 April 1999, Item 10: Economic, social and cultural rights, 8 April 1999.
http://www.unhchr.ch/huricane/huricane.nsf/view01/3DD683048267E46180256754003A9133?opendocument

[XIX] Alan Thomas: Educating Children at Home. 1998, Continuum, London, New York. ISBN 0-304-70179-3 (hardback), 0-8264-5205-1 (paperback)

[XX] The Oregonian, 04/16/03: Senate OKs removing home-school testing.
http://www.oregonlive.com/news/oregonian/index.ssf?/base/news/1050494303104180.xml

[XXI] Rechtbank Zwolle, Sector civiel recht, Kinderrechter. Zaaknummer 81880 JZ RK 02-577. Datum uitspraak: 24 januari 2003. Het vonnis is te lezen op:
http://www.thuisonderwijs.net/juridisch/beschikking-kinderrechter-zwolle.htm .

[XXII] Jane Lowe & Alan Thomas: Educating Your Child at Home. 2002, Continuum, London, New York. ISBN 0-8264-5227-2 (paperback)

[XXIII] Zie voor informatie over thuisonderwijs in Nieuw-Zeeland: http://www.home.school.nz/

[XXIV] De declaratie van de Nederlandse regering afgegeven bij de ratificatie van EVRM, Protocol 1 in 1954 is hier te lezen:
http://sim.law.uu.nl/SIM/Library/RATIF.nsf/f8bbb7ac2d00a38141256bfb00342a3f/7692781088855cf941256c00002f2c98?OpenDocument

 

[XXV] NRC 18-09-1997: Analfabeten; De onzichtbare autochtoon.
http://www.nrc.nl/W2/Lab/Profiel/Lezen/analfabetisme.html#bovenkant

[XXVI] Tom ter Bogt, Saskia van Dorsselaer en Wilma Vollebergh: Psychische gezondheid, risicogedrag en welbevinden van Nederlandse scholieren, HBSC Nederland 2002. Uitgegeven door het Trimbos-instituut. Zie voor het persbericht:
http://www.trimbos.nl/default.asp?id=4215